“Geef u hun te eten.” — Markus 6:37
De discipelen zijn net terug, vol verhalen — over wat ze hadden gedaan en geleerd.
Jezus nodigt hen uit:
“Kom met Mij mee en rust wat uit.” (vs. 31)
Maar de menigte vindt hen.
En Hij ziet hen — ziet hen echt.
“Hij werd met ontferming bewogen over hen, omdat zij waren als schapen zonder herder.” (vs. 34)
Hij onderwijst hen. Want onderwijzen is voeden.
Dan wendt Hij Zich tot de discipelen:
“Geef jullie hun te eten.”
Niet als last, maar als roeping — om iets van Zijn hart te delen en te beginnen zien wie Hij werkelijk is: de Messias, Degene die brood geeft dat werkelijk verzadigt.
Johannes voegt toe:
“Dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist Zelf wat Hij zou doen.” (Johannes 6:6)
“Ze zagen het nog niet: de Herder van Israël stond voor hen. Dit moment was een voorproef — van wat Hij later in hen en door hen heen zou doen.” (Sinclair Ferguson)
Hij is nog steeds zo geduldig.
“Breng Mij wat je hebt,” zegt Hij — en Ik zal het zegenen, breken, vermenigvuldigen.
Dit is het stille hart van dienstbaarheid:
Niet wat jij meebrengt,
maar wat jij uit handen geeft.
Niet wat jij tot stand brengt,
maar wat Hij geeft...
door jouw lege, open handen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten