4 jun 2026

Handelingen 4: geen christendom versus judaïsme

Wat ik eerder niet zo scherp zag: Handelingen 4 gaat niet over “christendom tegenover Jodendom”. Dat is veel te slordig gelezen.

We zien hier Messiasbelijdende Joden, staand in de tempel, die de opstanding verkondigen in de Naam van Jezus... terwijl zij tegenover een machtige en corrupte tempelstructuur komen te staan.

Lukas noemt de namen: Annas, Kajafas en de familie van de hogepriester. Dat waren niet zomaar wat religieuze leiders. Zij hoorden bij een van de invloedrijkste priesterlijke kringen in het Jeruzalem van de eerste eeuw. Hun macht was nauw verbonden met de tempel: de offers, goedgekeurde offerdieren, de tempelbelasting, de geldwisselaars, de schatkist, de openbare orde en de tempelwacht.

Dus toen Petrus en Johannes juist dáár de opstanding verkondigen, was dat geen privé-overtuiging in een veilige hoek maar een openbaar getuigenis, midden in het gebied waar de priesterlijke macht haar gezag uitoefende.

De God van Abraham, Izak en Jakob had Jezus, Zijn Knecht, verheerlijkt... en Hem uit de doden opgewekt. Ja juist Hem Die door deze tempelmacht was verworpen.

Daarom is Handelingen 4 zo geladen.

De tempelautoriteiten konden de tempel bewaken.
Zij konden de getuigen laten arresteren.
Zij konden hun verbieden om nog langer in deze Naam te spreken.

Maar wat de getuigen hadden gezien, kon niet worden uitgewist: de verworpen Messias, door God opgewekt... en nog altijd werkzaam in kracht onder Zijn volk

1 jun 2026

En juist dat vind ik zo mooi aan Handelingen

Die man in Handelingen 3 werd elke dag naar de poort van de tempel gedragen. Elke dag zat hij daar. En toen, opeens, stond hij. Zijn voeten en enkels werden sterk, staat er.

Hij liep
Hij sprong
Hij prees God.

Dit hier in Handelingen 3 is niet zomaar een genezingsverhaal. Het klinkt als een echo van Jesaja 35: “Dan zal de kreupele springen als een hert.”

Petrus legt uit wat er gebeurt. Hij spreekt over bekering, over tijden van verkwikking, over de Messias, en over de wederoprichting van alle dingen... alles waarover God vanouds gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten.

In oude Joodse lezingen werd Jesaja 35 niet alleen verstaan als een beeld van persoonlijke genezing, maar ook als een visioen van herstel: Israël dat wordt opgericht, ogen die geopend worden, oren die de woorden van de profeten horen, ballingen die terugkeren naar Sion.

Dat maakt de genezen man natuurlijk geen allegorie ofzo. Hij is echt mens. Iemand van vlees en bloed, met voeten die hem nooit konden dragen gedragen... en die nu de tempel binnenging

Maar tegelijk wordt hij een teken.

In Handelingen 4 staat hij daar nog steeds, voor het Sanhedrin. Ze kunnen redetwisten over de Naam van Jezus. Ze kunnen proberen de apostelen het zwijgen op te leggen. Maar ze kunnen die man niet wegredeneren.

Hij staat daar.

Een levend getuigenis.
Een glimp van herstel.
Een kleine schittering van een veel groter geheel.

En juist dat vind ik zo mooi aan Handelingen. Het zijn geen losse verhalen, geen toevallige wonderen. Steeds weer zie je hoe de God van Israël Zijn beloften verder uitvouwt... in de Messias, door de Geest, midden in Jeruzalem, en van daaruit naar de volken.

30 mei 2026

Handelingen en de gebeden van Israël

Ik ben nog steeds bezig met Handelingen. Wat een rijk boek is dat. Deze week kwam ik niet toe aan een uitgebreide woordstudie, maar ik kan wel iets delen dat ik op 26 mei al in het Engels op Instagram zette. 

Wat mij raakte, is hoe diep de eerste discipelen nog geworteld waren in Jeruzalem en verbonden bleven met de tempel.

Lukas schrijft dat zij volhardden in “de gebeden”... in het Grieks: taîs proseuchaîs (ταῖς προσευχαῖς). Dat is meer dan alleen een algemene opmerking dat zij baden. In de context van Handelingen klinkt daarin iets mee van het bestaande gebedsleven van Israël.

Ook na Jezus’ hemelvaart stonden zij niet los van de tempel. Op de Pinksterdag klinkt Petrus’ uitleg al vroeg in de morgen; hij zegt immers dat het nog maar het derde uur van de dag is. En later, in Handelingen 3, zien we Petrus en Johannes opgaan naar de tempel, op het uur van het gebed.

Daniël opende ooit zijn vensters naar Jeruzalem om te bidden. Maar hier zijn de discipelen werkelijk dáár: in Jeruzalem, bij de tempel, en zij voegen zich in de gebeden van Israël tot de God van Israël.

De Messias is gekomen.
De Geest is uitgestort.
En toch blijven zij volharden in de gebeden.

Maar tegelijk gaan de woorden van Jezus tot de Samaritaanse vrouw steeds dieper oplichten: de aanbidding zou niet voorgoed gebonden blijven aan deze berg of aan Jeruzalem alleen. De Vader zoekt aanbidders die Hem aanbidden in geest en waarheid.

Dat is geen losraken van Israël.
Het is de beweging van Gods belofte: vanuit Israël naar de volken.

En dat is nog steeds onze hoop.

De wortels blijven in Israël.
De roeping beweegt zich verder naar buiten.
En de Vader zoekt nog steeds aanbidders —
ook hier, ook nu.

Want vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de volken. Op elke plaats zal aan Mijn Naam reukwerk worden gebracht en een rein offer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de volken, zegt de HEERE van de legermachten.
Maleachi 1:11

---

Geschreven op 26 mei... op de dag waarop deze woorden mij opnieuw lieten zien hoe Gods gebedshuis in Jeruzalem nooit bedoeld was als eindpunt, maar als beginpunt van een aanbidding die de volken zou bereiken.