De sabbat is voorbij. Ik sluit de deur zachtjes achter me en hoor ergens in de verte een haan kraaien. Het is nog donker. Ik trek mijn omslagdoek dichter om me heen en begin te lopen, de bundel met specerijen stevig tegen me aan gedrukt. De geur van mirre en aloë hangt om me heen.
Ze hadden Hem daar neergelegd. In linnen doeken gewikkeld. De steen ervoor gerold. Zo hadden we Hem achtergelaten... net op tijd klaar voor de sabbat.
Nu is de derde dag.
Onderweg sluiten de anderen zich bij me aan. We lopen dicht bij elkaar, zeggen weinig. Alleen dat ene zinnetje: wie zal de steen voor ons wegrollen?
Als het graf in zicht komt, blijf ik plots staan. De steen is weg! De bundel specerijen glijdt uit mijn handen. O nee... hebben ze Hem, hebben ze Hem....
“Ze hebben Hem weggehaald,” zeg ik wanhopig. Ik draai me om en ren terug, zoek Shimon en Yochanan. Ik bons op de deur en verlies als de voorzichtigheid uit het oog “Ze hebben Hem weggehaald… we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.”
De mannen komen meteen mee en we rennen terug. Ik sjor mijn tuniek omhoog om hen bij te houden. Zonder iets te zeggen gaan zij het graf in, bukken zich, kijken. Het blijft stil. Als ze weer naar buiten komen, zie ik aan hun gezicht dat het klopt. Hij is weggenomen. Ze zeggen niets en gaan.
Maar ik blijf. Ik kan niet weg. Ik sta bij de opening en huil. Dan buig ik me voorover en kijk naar binnen. De doeken liggen er nog.Maar Hij is er niet.
Er zitten er twee, in het wit. Waar Hij gelegen had. “Waarom huil je?” vragen ze.
“Omdat ze mijn Heere hebben weggenomen,” snik ik, “en ik weet niet waar ze Hem gelegd hebben.”
Opeens hoor ik geluid achter me. De tuinman? Heeft hij... Ik vraag het, ik moet het weten. Waar hebben ze Hem neergelegd.
“Miryam.”
Die stem.
“Rabboeni.”
Ik kijk. Alles wordt scherp. Alsof er iets wegvalt. Ik zie Hem zoals Hij is.
Ik ga naar Hem toe, wil Hem vastpakken, meenemen, Hem verstoppen voor het Sanhedrin...
Maar Hij doet een stap terug en zegt:
“Houd Mij niet vast Miryam, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader. Ga naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, en naar Mijn God en uw God.”
Ik blijf nog even staan en denk diep, diep na terwijl ik Hem in me opneem. Ik zie dat Hij het echt is. Ik geloof. Hij leeft. Hij....
Ik snap het niet. Dan draai me om en ga. Onderweg herhaal ik zijn woorden, bang dat ik ze vergeet en als ik hen vind, gooi ik het eruit: “Ik heb de Heere gezien,” en Hij zei: Ga naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, en naar Mijn God en uw God."
Ze kijken me aan en Ik kijk terug.
We staan daar. En we weten van blijdschap niet wat we moeten doen.
Hij leeft!

Geen opmerkingen:
Een reactie posten